De Overakker of de Bolken

Door Martien van Asseldonk.

HET HERTOGELIJK LEENGOED OVERAKKER

Aan de Peellandstraat zijn in 2008 opgravingen verricht door BAAC, waarbij bewoningssporen uit onder andere de ijzertijd, volle en late Middeleeuwen gevonden werden. Ook werd een uitgebreid grachtenstelsel uit de dertiende-veertiende eeuw gevonden. De gedachte is dat het terrein heringericht is na de overname van Veghel door de hertog van Brabant en dat er een leengoed ingericht is. Wat vermelden de bronnen over het leengoed aan De Bolken, dat eertijds Overakker genoemd werd? Ook besteden we aandacht aan twee huizen met opmerkelijke namen nabij het leengoed: Het Hooghuis en Het Slotje.

De oudste vermelding vinden we in het zogenoemde Casselboek, het oudst bewaard gebleven leenboek van de hertog van Brabant werd in 1312 aangelegd door Willem van Cassel. Dit leenboek bevatte aanvankelijk de namen van de leenmannen die eind 1312 hun leen verhieven voor de pas geïnaugureerde hertog Jan III, die zijn vader Jan II na diens dood op 27 oktober 1312 opvolgde.

Een van die eerste inschrijvingen luidde (in vertaling): Seghebertus, zoon van Johannes van Dorne, [leenman] van een goed gelegen bij Veghelen, ter plaatse genoemd Oiverecker’.[1]

Seghebertus was niet de eerste leenman. Het is aannemelijk dat hij of een voorganger leenman van de hertog van Brabant werd nadat de hertog in 1231 het gezag in Veghel kreeg door de verwerving van het graafschap Rode. De oorsprong van het leengoed dateert dan uit 1231-1312. De ligging en geografie wijzen er op dat dit gebied al eerder ontgonnen was. Die gedachte wordt bevestigd door gevonden bewoningssporen uit de periode 1000-1200.

Hoe die eerste belening in zijn werk gegaan is, is niet meer te achterhalen. Er waren verschillende scenarios waarop dat kon gebeuren.
De hertog bedreigde de positie van een aanzienlijke plaatselijke heer, die eieren voor zijn geld koos en zijn eigen goed aan de hertog schonk en als leengoed terug kreeg. Dit scenario ligt hier niet voor de hand; niets wijst op een heer van dergelijk kaliber in Veghel.
De hertog gaf eigen bezit uit aan lokale aanzienlijken. Dergelijk eigen bezit zou bijvoorbeeld eerder eigen goed van de heren van Rode geweest zijn, of al eerder leeengoed van de heren van Rode. Ik geloof niet dat dit bij dit leengoed gespeeld heeft. Het is wel een aannemelijke gang van zaken bij een ander hertogelijk leengoed in Veghel, De Bacxhoeve in Zijtaart, omdat daarvoor eertijds nog het Rooise leenrecht van toepassing was.
Derde mogelijkheid: Een veelal minder machtige plaatselijke aanzienlijke koos er uit eigen beweging voor om een leenband van de hertog aan te gaan. Ik denk dat dit bij de Overakker gebeurd is. Waarom zou iemand dat doen? Veel nadelen had het niet. Een leenman kon gewoon zijn goed blijven exploiteren, maar ging wel verplichtingen aan, zoals de plicht soms voor de hertog ten strijde te trekken. Daar stond wel weer bescherming van de hertog tegenover. Kennelijk zijn er redenen geweest voor de eerste leenman om deze stap te maken. Waarom weten we niet. Een mogelijke reden kan bijvoorbeeld geweest zijn dat zijn eigendomsrechten betwist werden, en dat deze door de leenband geconsolideerd werden. Dit blijft gissen, maar ik noem het toch maar, zodat we ons een voorstelling van de gang van zaken kunnen maken en het verleden wat tastbaarder wordt.

In het het Casselboek staat ook de volgende leenman vermeld:

Baldewinus, zoon van Willelmus Hueft van Veghle. Deze nieuwe inschrijvingen in het casselboek kunnen op de peridoe 1314-1352 gedateerd worden.
Het volgende leenboek, het zogenoemde Stootboek bevat inschrijvingen uit de periode ca. 1350-1370. Hierin staat vermeld: Boiden Willem Huefts sone van Veghghele tgoed gheleghen te Overecker dat hi cochte theghen Zeghebrechte Jhans sone van Dorne daer men op zaye een bosch muddezaeds.[2]
Het leenboek het Spechtboek werd volgens de aanhef in 1374 door Nicolaas Specht begonnen. Hierin staat weer vermeld:[3] Boudewijn Willem Hoefs zoen van Vechle hout I goet geheiten te Overacker, daer men I Bossche mudde op zaiet, ende dit plach te sijn Jans van Dorne
Bijschrift: ende noch hoirt hie[rt]oe I stuc lants geheten de Kesy ende noch land tusscen erve Wouters van de Rullen, d(aer) me(n) I va[ten ro]ggen op zaien mach, bi Bouden voirs. aldus gegroet.

Boudewijn Willem Hoofds van Bijnderen heeft het leengoed dus vergroot met twee stukken land. Boudewijn behoorde zeker tot de plaatselijke elite. Elders in Veghel werd in de veertiende eeuw een aanzienlijk huis gebouwd, de voorloper van kasteel Frisselstein. De oudste eigenaren van het perceel waarop kasteel Frisselstein stond waren:[4]
1340: Heer Rover, de persoon van de Veghelse kerk
1380: Rodolfus de Snijder
Boudewinus Hoofd (er staat in het Latijn Caput) van Bijnderen[5]
1392: Leonius van Erpe
1418: Jutta van Gestel
Godefridus, zoon van Godefridus van Erp. Hij vergrootte het huis en daarna werd het huis naar hem genoemd ‘Fritsenstein’. Daarna bleef het goed lang in het bezit van de familie van Erp, enige tijd heren van Erp en Veghel. Ook zij zouden leenman van het leengoed Overakker worden (zie hierna).

In 1425 wordt er al bebouwing op het perceel van het latere kasteel Frisselstein vermeld, vermoedelijk was dat een woontoren. Wie van voornoemde personen dat eerste gebouw, dus de voorloper van kasteel Frisselstein, bouwde, is niet bekend. Boudewijn van Bijnderen is een van de kandidaten.

Laten we terugkeren naar het leengoed de Overakker. De volgende leenmannen van de Overakker waren volgens het Spechtboek: [6]

Goidert zoon van Arden van Middegael, door koop.
Johanna van Middegael, vanwege de dood van haar vader Goderts van Middegael in 1448.

In het volgende leenboek, het Strickgrefier wordt het goed als volgt omschreven:[7]

een goet gheheijten T’Overacker alias Den Bulcke gheleghen in de prochie van Vechel houdende omtrent sesthien loepensaet tusschen erffenisse der kinderen wylen Willems Hinckaert ende die ghemeyn strate ter eenre, ende erffenisse Aelbrechts van Beerse ende Jan Goeijaertss d’ander syde, streckende aen erffenisse der kercken van Vechel d’een eynde ende aen erffenisse der kinderen wijlen Gherit Daneels mitten anderen eynde.

Item noch twee lopensaet lants gheleghen aldair gheheiten De Kesye tusschen erffenisse Ghysberts Willem Ghysbertssoen d’een syde ende d’erffenis her Ghysberts van Erpe, priester, mitten eenen eijnde ende aen de ghemeyn strate aldair mitten anderen eynde.

Item noch een lopensaet lants gheeyten t’Rullen Streepken gheleghen aldair tusschen erfenisse Willem Gheerts d’een syde ende erffenisse der kinderen wylen Gheerits Boertkens ter andere syden, streckende aen erffenis Goeyaerts van Lancvelt mitten eenen eijnde ende aen de ghemeijn strate aldaer mitten anderen eijnde.

De leenmannen zijn volgens het strick-grefier na Johanna van Middegael:[8]

Godevaert van Erpe, koopt het goed en verheft het leen op 16 mei 1471.
Walraven van Erp erft het goed van zijn vader, en verheft het op 12 maart 1481.
Walraven, zoon van Walraven van Erp, erft het goed en verheft het op 20 mei 1527.
Weer een Walraven, zoon van Walraven van Erp, erft het goed en verheft het leen op 28 december 1548.[9]

Hierna wordt het leengoed opgesplitst in drie delen.

A. HET OORSPRONKELIJK LEENGOED OVERAKKER

Het oorspronkelijke leengoed De Overakker wordt na 1548 niet meer genoemd in de hertogelijke leenboeken. Leenman Walraven van Erp kocht in 1566 als leengoed de heerlijke rechten van Erp en Veghel (waaronder de inkomsten van de rechtspraak, de houtschat, jachtrecht, het recht om de vorster en schepenen te benoemen, enz.). Ik vernoed dat het leengoed De Overakker geïncorporeerd werd in de heerlijkheid en daarom niet meer apart als leengoed verheven werd.

B. DE KESIE (afgesplitst in 1569)

De leenboeken vermelden als leenmannen:

Adriaen, zoon van wijlen Joost Gooswyns van Pelt kocht van Walraven van Erp een stuk land ´gemeynlyck geheeten Die Kesie oft Die Keysere, groot omtrent anderhalf loopensaet, van den voors(creven) leene gesplitst. Hij verhief het leen op 9 juli 1569.[10]
W. Geertborgh, zijn weduwe, erfde het leen en verhief het op 12 juli 1588.[11]
Ghysbert Jan Alaerts, zoon van W. Geerborgh, die zijn moeder was, erfde het leen en verhief het op 10 juni 1608.[12]
Margriet, dochter van wijlen Laurens van Berchem, en weduwe van Gijsberts Jan Alarts verhief het leen op 8 april 1634.[13]
Haar zoon Jan Gijsberts verhief het leen op 9 april 1666.[14]
Willem Franssen, verhief het leen op 14 september 1728.[15]
Jan Willem Franssen, verhief het leen op 3 juni 1763.[16]
Pieter de Jongh, verhief het leen op 29 september 1763.[17]

C. HET RULLEN STREEPKEN

De leenboeken vermelden als leenmannen:

Willem Henrick Diricxs kocht ´een lopensaet lands gelegen in de prochie van Vechel, gespleten wt de voors(creven) goeden T’Overacker alias Den Bulcken´ en verhief het leen op 20 maart 1570.[18]
Zijn zoon Henrick Willem Henrick erfde het goed en verhief het leen op 1 december 1605.[19]

Latere leenmannen zijn niet gevonden in de leenregisters van de hertog.

DE LIGGING

De leenregisters van de hertog helpen ons niet verder dan 1548 met de ligging van De Overakker, vermoedelijk omdat het goed opging in de heerlijkheid Erp en Veghel. Nadat in 1642 de pachtsom van de heerlijkheid Erp en Veghel ingelost werd – waarmee de heerlijkheid verdween – werd de Overakker niet opnieuw een leengoed. Wel blijkt uit andere bronnen, zoals de verpondingsregisters, dat het goed in die tijd nog in één hand was, namelijk van Aert van Strijp. Na hem is het in 1657 van Jacob Janssen van der Hagen. Daarna valt het goed uiteen in verschillende delen. Ik laat de namen van de eigenaren verder achterwege.

De grootte van het goed is volgens het maatboek van 1792 ongeveer 16 lopens, wat overkomt met de beschrijving uit het Strickgrefier. In de achttiende eeuw is de naam de Bolken beperkt tot slechts een deel van het leengoed (zie kaart). De andere percelen heetten toen ´De Hoef´, of ook wel ´De Hoef van Aert van Strijp´, maar volgens voornoemde Middeleeuwse bronnen heette eertijds het hele leengoed De Bolken.

Op het westelijke deel van het perceel dat op de kaart ‘De Bolken’ heet, lag in 1832 een kerkhof. Dit was een nieuwe begraafplaats, er zijn geen vermeldingen van dit kerkhof gevonden van voor de negentiende eeuw.

De Kesie grensde niet aan de Overakker, maar lag aan de overkant van de straat. Het goed was volgens de verpondingsregisters 2 lopens groot. In de achttiende eeuw stonden hier twee huisjes. De namen van de latere eigenaars en bewoners zijn bekend, maar deze laat ik verder achterwege.

De ligging van het derde perceel Het Rullenstreepke, groot 1 lopens, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Vermoedelijk was dat daar ergens in de buurt. De naam wijst op een smal en langwerpig perceel, zoals de percelen iets ten noorden van De Overakker. Een van die percelen zou het Rullenstreepken kunnen zijn.

De beschrijvingen in de leenregisters vermelden geen huis op het leengoed. Wel stonden er enkele huizen met interesante namen in de buurt. Het Hooghuis en het Slotje.

HET HOOGHUIS

Ten oosten van De Overakker stond een huis dat op de kadasterkaart van 1832 Het Hooghuis genoemd werd. Dit behoorde niet tot het leengoed.

In het begin van de zeventiende eeuw was dit goed van Hanrick Thomas Janssen van den Bossche. Hierna was het goed in handen van zijn zoon Abraham, en daarna van Jenneke, de dochter van Abraham, die was getrouwd met Aert van Strijp. Deze Aert van Strijp bezat toen ook De Overakker.

Omstreeks 1600 werd dit huis al genoemd in de cijnsregisters van Helmond als: ‘huijs ende hoof mit aengelegen lant´, ge­legen:
– een zijde : joncker Walraven van Erp
– andere zijde: Hanrick Jan Diericx[20]

In het cijnsboek van de hertog wordt het goed omstreeks 1646 omschreven als: ‘huys, schuer, hoff ende aengelegen erffenis, wesende een hoeve lants, gelegen onder Vechel aent Heselair’,[21]
een zijde: de pastorye tot Vechel
andere zijde en een einde: de gemeyn straete
ander einde: Henrick soone Jan Diercx en anderen

In 1822 heet het: ‘Een landmanswoning met bijstaand huisje, hof, aan het Heselaer, genaamd: de Hoef´.[22]

De naam Hooghuis doet een voornaam verleden vermoeden, maar er zijn weinig historische gegevens gevonden die dat ondersteunen. Vanaf 1650 was het Hooghuis in dezelfde handen als het dan voormalig leengoed de Overakker.

HET SLOTJE[23]

Op een negentiende eeuwse kadasterkaart wordt een huis naast het Hooghuis ‘Het Slotje’ genoemd. Van dit huis werden de volgende beschrijvingen gevonden.

In 1450 werd een perceeltje bij dit huis uitgegeven wat grenste aan de vicarie (pastorie).[24]
Omstreeks 1600 werd een cijns aan de heer van Helmond betaald ‘van weghe de pastorij’.[25]
In het verpondingsregister van 1657 heet het ‘huys, hoff, boomgaert ende aengelegen lant'[26]
In 1702: ‘de pastorie'[27]
In 1722: ‘huijs en erff aent Heselaar genaamt de Pastorije’.[28]
In 1722: ‘huys ende lant genaamt de Oude Pastorij­e’.[29]
Op 11 maart 1778: ‘een omwatert huys met stal, hof, land en groes aent Heselaer, genaamd: ‘t erf de Pastorije'[30]
Op 24 november 1808: ‘een huis en klein huisje, met aangelegen hoven en landerijen'[31]

Eigenaren en/of cijnsbetalers:

Vermeld in 1406 en 1447: Jutta van Doorn[32]
Johanna, dochter van wijlen Godefridus, natuurlijke zoon van Arnoldus van Erp[33]
Vermeld in 1450: Godefridus, zoon van wijlen Gode­fridus van Erpe[34]
Verwerving tussen 1465 en 1498: Heer Wilhelmus van Erp, pries­ter, pastoor van de parochiekerk van Vechel[35]
Verwerving tussen 1498 en 1507: Meester Adam en Wilhelmus, kinde­ren van heer Wil­helmus van Erp[36] Adam was zijn vader opgevolgd als pastoor in Veghel.
Verwerving na 1507: Heer Johannes Coex[37] Ook hij was pastoor in Veghel.
Vermeld in 1599: Heer Roeloff Willems van der Haege[38] (Pastoor in Veghel)
Verwerving tussen 1599 en 1642: heer en meester Frans Snoecx[39] (Pastoor in Veghel)
Verwerving tussen 1599 en 1642: heer en meester Jan Gyssels[40] (Pastoor in Veghel)
Vemeld in 1642: Heer Jan Houbraecken, pastor in Vechel[41]
Verneld in 1657: Johannes Broeck­huijssen, predi­cant tot Vechel[42]
Vermeld in 1702-1706: Sijmon Andries Aerts[43]
Vermeld in 1706: Meus Seger Wouters[44]
Vermeld in 1712 en 1719: Jacob Moons[45]
Vermeld in 1722: de weduwe van Antonij Tijbos[46]
Verwerving tussen 1722 en 1733: Jan Peters van de Velde, getrouwd met Dirsken Tibos[47]
Verwerving tussen 1722 en 1733: Peter Jans van den Horck[48]
Koop op 10 december 1733: Jan Marten Kilsdonk[49]
Vererving tussen 1753 en 1761: Adriana Schen­kels, weduwe van Jan Marte Kils­donk, en Catari­na, Annamij en Wilbort haar kin­deren.[50]
Deling op 11 maart 1778: Hendricus Lambert van den Bogaard[51]
Vererving tussen 1791 en 1808: Jan Hendrik van den Bo­gaard het vrucht­gebruik en zijn kinderen het erf­recht (1/2) en Hendricus van de Leemput in naam van zijn vrouw (1/2).[52]
Deling op 24 november 1808, vermeld in 1832: Jan Hendrik van den Bogaard.[53]

Bewoners:[54]

1736: Jan Martens Kilsdonck
1761-1776: De weduwe van Jan Martens Kilsdonk
1781-1791: Hendricus van den Bogaert
1798: Hendrik van den Bogaert, en W. T. Coolen

Er is een vermelding van een huis Ten Overakker van 5 november 1423.[55] Floris Gerits van Mekeren, weduwenaar van Heilwich Gerlach Cnode, verkocht op die dag aan Gijsbert Janss Stricappel onder andere een cijns van 10 schillingen payment uit huis en hofstat geheten Ten Overacker. De vicarus perpetuus van Vechel moet deze cijns betalen aan Floris van Mekeren en aan diens vader Gerit. Het is nog onduidelijk of dit huis op het leengoed stond, of daar bij. Er staat ´Ten Overacker´ en ‘ten’ betekent ´bij de´. Het zou dus ook een voorganger van bijvoorbeeld het Hooghuis of het Slotje geweest kunnen zijn. Omdat de cijns betaald wordt door de vicarius perpetuus, denk ik dat deze vermelding betrekking heeft op het Slotje.

De historische gegevens wijzen er op dat er nabij het leengoed verschillende aanzienlijke huizen stonden (Het Slotje, het Hooghuis, de voorloper van kasteel Frisselstein, en ook het kasteeltje op het Middegaal), waarvan er rond 1400 enkele in handen waren van leden van de familie van Erp (- van Middegaal), die ook leenman waren van het hertogelijk leengoed de Overakker.[56] Een van hun voorgangers heeft in de periode 1231-1312 deze akker als leen opgedragen aan de hertog.

Uit de cijnsregisters van Helmond is af te leiden dat de percelen rechts van het leengoed waarop het Slotje en het Hooghuis stonden in de periode 1180-1314 van de gemene gronden uitgegeven waren.[57] De percelen van het leengoed De Overakker waren voor 1180 uitgegeven en ontgonnen. De rechte grenzen en regelmatige kavels zijn karakteristiek voor ontginningen na pakweg het jaar 1000 toen door bevolkingsgroei ook de wat lager gelegen gronden ontgonnen worden. De percelen rechts van het Slotje en het Hooghuis, tussen deze huizen en de wegen zijn pas in de 18de eeuw uitgegeven. Het leengoed werd tussen 1231 en 1312 voor het eerst aan de hertog opgedragen, zonder huis. Het perceel waarop het slotje stond werd tussen 1180 en 1314 van de gemeente uitgegeven. Het is dus goed mogelijk dat er bij De Overakker nog helemaal geen huis stond, toen dit leengoed werd. Wellicht maken de recente opgrtavingen ons wijzer over hoe de situatie er precies uit zag toen het leengoed ontstond.

Martien van Asseldonk

Opgraving de Peellandstraat 2008

Verwijzingen.

[1] Algemeen Rijksarchief Brussel, Archief van de Rekenkamer, inv. nr. 542: Casselboek, fol. I-31; ibidem, Archief van het Leenhof van Brabant inv. nr. 1: Latijnsboek, fol. 103v; Galesloot, L., Livre des feudataires de Jean III, duc de Brabant (Brussel 1865), 244.
[2] Algemeen Rijksarchief Brussel, Archief van het Leenhof van Brabant inv. nr. 2: Stootboek, fol. 50.
[3] Ibidem, inv. nr. 4: Spechtboek, fol. 186.
[4] Martien van Asseldonk, Kasteel Frisselstein, in: Van Vehchele tot Veghel (1989) 31-60.
[5] Martien van Asseldonk, Genealogie Van Bijnderen, alias Van der Steghen (Veghel, 1350-1600), in: Van Vehchele tot Veghel (1989) 83-86.
[6] Algemeen Rijksarchief Brussel, Archief van het Leenhof van Brabant inv. nr. 4: Spechtboek, fol. 186.
[7] Brabants Historisch Informatie Centrum, Collectie Schaduwarchieven: Stick-grefier, fol. 63-63v.
[8] Ibidem, Strick-grefier, fol. 63-63v.
[9] Ibidem, leenboeken, inv. nr. 1125, fol. 87 (721).
[10] Ibidem, Strick-grefier, fol. 63.
[11] Ibidem, Strick-grefier, fol. 63.
[12] Ibidem, Strick-grefier, fol. 63; zie ook hertogelijke leenboeken, inv. nr. 1125, fol. 89 (723).
[13] Brabants Historisch Informatie Centrum, Collectie Schaduwarchieven: inv. nr. 1130, fol. 120 (1933).
[14] Ibidem, inv. nr. 1130, fol. 120 (1933).
[15] Ibidem, inv. nr. 1145, fol. 2968.
[16] Ibidem, inv. nr. 1145, fol. 2968.
[17] Ibidem, inv. nr. 1145, fol. 2968.
[18] Ibidem, inv. nr. 1125, fol. 88 (722).
[19] Ibidem, inv. nr. 1125, fol. 88 (722).
[20] Martien van Asseldonk, bewerking cijnsregisters Helmond, nrs. 27, 30b en 94.
[21] Martien van Asseldonk, bewerking cijnsregisters Hertog, nr. 19; zie daar ook de cijnsbetalers van dit perceel vanaf 1340.
[22] Brabants Historisch Informatie Centrum, Notarieel Archief Veghel, inv. Nr. 8100, no: 36 (26-3-1822).
[23] Zie ook: Martien van Asseldonk, Pastoors en pastorie omstreeks 1500, in: Van Vegchele tot Veghel (1987) 63-71.
[24] Martien van Asseldonk, bewerking cijnsboeken van de hertog, nr. 71.
[25] Martien van Asseldonk, bewerking cijnsboeken van de heer van Helmond, nr. 38.
[26] Martien van Asseldonk, bewerking Verpondinsregister 1657, nr. 465.
[27] Brabants Historisch Informatie Centrum, Oud Archief Veghel, Verpondingsregister 1702, fol. 56.
[28] Brabants Historisch Informatie Centrum, Oud Archief Veghel, Verpondingsregister 1722, fol. 100.
[29] Brabants Historisch Informatie Centrum, Oud Archief Veghel, Verpondingsregister 1722, fol. 131.
[30] Brabants Historisch Informatie Centrum, Rechterlijk Archief Veghel, 108, fol. 18v.
[31] Brabants Historisch Informatie Centrum, Rechterlijk Archief Veghel, 114, fol. 108.
[32] Martien van Asseldonk, bewerking cijnsboeken van de heer van Helmond, nr. 38.
[33] Ibidem
[34] Martien van Asseldonk, bewerking cijnsboeken van de heer van Helmond, nr. 38, idem van de hertog nr. 71.
[35] Martien van Asseldonk, bewerking cijnsboeken van de heer van Helmond, nr. 38.
[36] Ibidem.
[37] Ibidem.
[38] Ibidem.
[39] Ibidem.
[40] Ibidem.
[41] Ibidem.
[42] Martien van Asseldonk, bewerking Verpondinsregister 1657, fol. 465.
[43] Brabants Historisch Informatie Centrum, Oud Archief Veghel, Verpondingsregister 1703, fol. 56; 1707, fol. 51.
[44] Ibidem, 1707, fol. 51.
[45] Ibidem, II-E-4 en II-E-92.
[46] Ibidem, 1722, fol. 156.
[47] Ibidem, 1722, fol. 156.
[48] Ibidem, 1722, fol. 100 en 156.
[49] Ibidme, 1722, fol. 100 en 131.
[50] Ibidem, 1753, fol. 70v.
[51] Ibidem, VP-1777, fol. 67 en fol. 67v, en Rechterlijk Archief 110, fol. 18v.
[52] Ibidem, VP-1785, fol. 66v, en II-E-1791, fol. 48.
[53] Ibidem, VP-1785, fol. 66v, II-E-1791, fol. 48; kadaster 1832.
[54] Ibidem. II-E-17 en 18, no: 74.
[55] Stadsarchief Den Bosch, Bossche Protocollen, 1194, d.d. 5 november 1423, zie ook fol. 12v.
[56] In de zestiende eeuw bezat de familie van Middegaal ook een huis of slotje op het Dorshout.
[57] Enig voorbehoud is op zijn plaats omdat in de loop der eeuwen cijnzen – door deliingen en samenvoegingen van goederen – soms van het ene naar het andere goed verhuisden.